De adoptiefase van Karin

Karin heeft een pittige zwangerschap en bevalling gehad. De groei van haar dochtertje Marjon is achtergebleven, waardoor de artsen zich genoodzaakt zien de bevalling voortijdig op te wekken.

Karin en haar man besluiten, na de geboorte van hun dochtertje, nog een dag in het kraamhotel te blijven, maar omdat Marjon teveel gewicht verliest wordt ze opgenomen op de Neonatologie. Wat voor Karin had moeten beginnen als een mooi borstvoedingsavontuur, eindigt met bijvoeding met gekolfde moedermelk en kunstvoeding.

Na een paar slopende dagen mogen ze Marjon eindelijk mee naar huis nemen, waar ze nog 2 dagen kraamzorg krijgen; de 9e en 10e dag.

Wat me direct opvalt als ik Karin haar dochtertje zie verschonen is dat ze haar “baby” noemt. Meestal voltrekt zich rond de 4e dag na de bevalling de adoptiefase van ”de baby in de buik“ naar “de baby buiten de buik”. Ik kan me voorstellen dat deze fase vertraging heeft opgelopen. Ook al is moeder, naar eigen zeggen, door het medisch personeel betrokken bij de zorg voor haar baby; als je iets meer doorvraagt blijkt dat mevrouw, uit angst voor het verlies van haar kindje, de zorg uit handen te hebben gegeven aan de verpleegkundigen op de Neonatologie-afdeling.

Als deze adoptiefase niet wordt doorlopen, kan dit gevolgen hebben voor het hechtingsproces en de verdere emotionele- en cognitieve ontwikkeling op de langere termijn.

Als we bij een bakje thee doorspreken, wat ik voor mevrouw kan betekenen de komende dagen, vraag ik haar het bevallingsverhaal te vertellen. Op het moment dat Marjon geboren is pak ik Marjon uit haar wiegje en leg haar in de armen van Karin. Ik spreek de begeleidende woorden vastberaden uit: “Kijk eens Karin, hier is je dochtertje Marjon. Ze blijft de komende 25 jaar bij je.”

Karin kijkt liefdevol naar haar kindje en knuffelt haar.

Als ik een half uurtje later het bed verschoon, hoor ik Karin de papieren van Marjon in een map opruimen: “Deze is van Marjon en die is van Marjon.”

Fijn, dat komt goed.